Start | Pianolessen - algemene info | Pianolessen - handige links | Dina Appeldoorn | Jeanne van der Haar-Böttger | Bertha Frensel Wegener-Koopman | Anna Cramer | Cornelie van Oosterzee | Hanna Beekhuis | Andrée Bonhomme | Henriëtte Bosmans | Linda Bandara | Anna Lambrechts-Vos | Geertruida van Vladeracken | Reine Colaço Osorio-Swaab | Annie van den Brink-Pothuis | Elisabeth Kuyper | Henriëtte van Heukelom van den Brandeler | Wie ben ik?

Anna Merkje Cramer

 

Amsterdam, 15 juli 1873 – Blaricum, 4 juni 1968

Over Anna Cramers leven is bijzonder weinig bekend. Ze heeft in ieder geval haar jeugd in Amsterdam doorgebracht, waar ze op 22-jarige leeftijd pianoleerlinge aan het conservatorium was. Daarna woonde ze lange tijd in Duitsland en Oostenrijk.

Er zijn 55 Duitstalige liederen van haar bewaard gebleven, waarvan het grootste deel tussen 1907 en 1910 in 4 opusnummers is uitgegeven, bestaande uit 2 cycli van 5, een cyclus van 7 en een cyclus van 14 liederen. Een los lied verscheen in een bundel uit 1903 met daarbij de enige foto die er van Anna Cramer bewaard is gebleven. De overige 16 liederen en andere werken zijn niet uitgegeven. Haar liederen ontstonden vermoedelijk in de periode tussen 1896 en 1927. Deze laatste datum is niet goed te geven, omdat Anna Cramer in haar werk nog regelmatig dingen wijzigde, zelfs in de liederen die al gepubliceerd waren. Haar liederen zijn overwegend in laatromantische stijl, de zangstem volgt vaak een natuurlijk tekstritme waardoor een recitativisch karakter ontstaat. Haar muziek was modern en volgens een onaardige recensent harmonisch ‘zo onnatuurlijk en gezocht mogelijk’. Ze vond aansluiting bij de meest moderne stromingen van het fin-de-siècle. Er zijn verwijzingen naar de muziek van Wolf, Richard Strauss en Wagner. In de jaren ’10 schreef ze enige impressionistische liederen op teksten van Liliencron en Dauthendey die als vertegenwoordigers van het Duits impressionisme gelden. In de jaren ’20 schreef ze in Wenen liederen met een cabaretesk karakter.[1]

De twee volgende liederen illustreren duidelijk de uiteenlopende stijl van Anna Cramers liederen. Het eerste lied Weisst du noch? is uitgegeven in een bundel van vijf liederen op teksten van Bierbaum (opus 2). Het lied vertoont de invloed van Richard Strauss en geeft een goede indruk van de laatromantische Anna Cramer. Anna Cramer begon met componeren in 1896 en de bundel is uitgegeven in 1907. Ergens in die periode moet dit lied dus geschreven zijn.

Het tweede lied Episode  is geschreven op een tekst van de theaterschrijver Max Rosenfeld. Het is vermoedelijk halverwege de jaren ’20 in Wenen ontstaan. Het is nooit uitgegeven. Jeanine Landheer schrijft hoe in Wenen in de jaren ’20 allerlei cabaret- en jazzinvloeden in de kunstmuziek doordrongen en dat geldt zeker voor dit lied. Er bestaat een versie die klaarblijkelijk getransponeerd is voor de Weense operazanger Walter Simlinger, met wie Anna Cramer bevriend was.[2]

 

            Weisst du noch? (tekst: Otto Julius Bierbaum), uitgegeven in 1907 [track 3]

 

Weisst du noch: das kleine Haus                             

Zwischen Wald und See und Feld?                                

Eine alte Eiche hält                                               

Wacht davor.                                                              

 

Weisst du noch: das Zimmerchen?                                  

Wie ein Käfig was es klein,                                  

Nur ein Tisch, ein Stuhl und ein                                  

Kanapee.                                                               

 

Weisst du noch: die Dämmerung?                                  

Glockenklang vom Kloster her…;                                  

“Nun lass ich dich nimmermehr!” 

Weisst du noch?

                                                  

 

Het gedicht heeft geen conventioneel rijmschema. De twee middelste regels van iedere strofe rijmen wel, de twee buitenste regels niet. Anna Cramer vermijdt een zuiver strofische behandeling van het gedicht. Dit lied is in feite een mengvorm tussen een strofisch en een doorgecomponeerd lied, Whittons ‘modified strophic form’. In de eerste twee strofen is de pianopartij vrijwel identiek, maar zijn er wel enkele verschillen in de zangstem. In de eerste regel bijvoorbeeld stijgt de melodie op ‘Haus’ terwijl ‘Zimmerchen’ een dalende melodie heeft. Het woordje ‘Käfig’ (‘hokje’) krijgt een bescheiden nadruk doordat ‘war es klein’ lager klinkt. De derde strofe is muzikaal geheel verschillend van de eerste twee strofen.

De pianopartij is heel rijk en gewaagd in zijn harmonische kleuring. De vragen in de tekst worden als het ware door de piano ondersteund. De kleine motiefjes die klinken na ‘das kleine Haus’ en na ‘das Zimmerchen’ vormen een respons op de tekst van de zangstem. De piano fungeert als gesprekspartner.

In het gedicht wordt de herinnering steeds intiemer. Eerst de omgeving van het huis, vervolgens het knusse kamertje en ten slotte een herinnering aan klokgelui en een uitspraak van de geliefde. De laatste strofe is zowel muzikaal als tekstinhoudelijk intenser dan de twee voorgaande strofes. Bij ‘Weisst du noch, die Dämmerung?’ wordt het tempo teruggenomen. De klokken van het klooster worden op een geraffineerde manier geïmiteerd door de piano. De ‘klokken’-melodie stijgt chromatisch door tot aan de climax op ‘nimmermehr!’. De zin ‘Nun lass ich dich nimmermehr!’ is grammaticaal incompleet. Waarschijnlijk wordt er gedoeld op een uitspraak van één van de twee geliefden om de ander nooit meer te laten gaan of om de ander juist nooit in de steek te laten. De laatste zin ‘Weisst du noch?’blijft muzikaal gezien ‘in de lucht hangen’. De harmonische oplossing blijft achterwege. Dit wekt de indruk dat het subject in deze monoloog mijmert en flarden van herinneringen ophaalt, misschien zonder dat de persoon tot wie ze zich richt erbij is. Het lijkt erop dat de belofte om elkaar nooit te laten gaan in dit lied niet is nagekomen.

 

            Episode (tekst: Max Rosenfeld), vermoedelijk jaren ’20. [track 4]

           

In Liebe trunken schnitt ich deine Silhouette,

Er was in jenem kleinen, süssen Pavillon,

Du wandest leise trällernd eine Rosenkette,

Und Hassan schlug die Laute an, dein kleiner Moor !

 

Der Spitz lag unter deinem seidenen Japon,

Und äugte eifersuchtig stets zu mir empor,

Wie klang doch deine Stimme lieblich in mein Ohr:

‘Tout doux, Lalouridon, tout doux, Lalouridon !’

 

Du slangest zärtlich um mich her die Rosenkette,

Dein Mund war mir zum Küsse nahe: ‘Louridon!’

Da sprang das Hündchen knurrend auf von süsser Stätte,

Und biss nach mir, Du riefest zürnend deinen Moor:

 

‘Hassan, bringst gleich das Hündchen aus dem Pavillon!’

Mit mir allein, hauchtest du leis: ‘Den Riegel vor!’

Ich war gehorsam, und war ein beglückter Tor,

‘Tout doux, Lalouridon, tout doux, Lalouridon’

 

Het lied heeft alle mogelijkheden voor een heel expressieve, uitbeeldende voordracht. De geliefde wordt geïmiteerd als ze een zoetig liedje neuriet. Het jaloerse hondje (een ‘Spitz’ is een hondje) kan niet uitstaan dat zijn bazinnetje iemand een kus geeft. De vrouw geeft luidruchtig haar bediende opdracht om het hondje naar buiten te doen en fluistert daarna om de grendel voor de deur te doen. Dit is geen diepzinnig gedicht maar een onderhoudende vertelling. Het is heel goed voor te stellen dat het gedicht ook een gesproken - en uiteraard een heel theatrale - voordracht zou kunnen krijgen. De muziek van Anna Cramer verstoort dat vertellende karakter niet. Dat de muziek hier uitbeeldend is blijkt onder andere uit het feit dat het gedeelte dat het meest eruit springt niet de clou van het verhaal is. ‘Hassan, bringst gleich das Hündchen aus dem Pavillon’ is zeker niet de climax van de vertelling. Het is muzikaal wel het meest dramatische moment maar de zangstem en de piano beelden daar slechts de boosheid op het hondje uit. Het lied gaat daarna weer even vrolijk verder. Het gedicht is vermakelijk, een cabaret-tekst op rijm. De pianopartij heeft hier een sfeerscheppende rol en heeft veel weg van salonmuziek. 

 

Tijdens het Holland Festival in 1990 deed Willem Noske de volgende uitspraak over Anna Cramers muziek: “Cramers muziek is brutaler dan Richard Strauss en de vroege Schönberg. Soms wijst zij vooruit naar de cabareteske muziek van Kurt Weill.”[3]
Jeanine Landheer schrijft in haar conclusie dat contemporaine kritieken in Nederlandse kranten van de liederen van Anna Cramer over het algemeen zeer lovend of op zijn minst welwillend zijn. Alleen uit conservatievere hoek kwamen soms negatieve recensies, omdat de muziek van Anna Cramer te modern werd gevonden. Toch hebben zowel Willem Noske als Peter Schat de conclusie getrokken dat ze niet serieus genomen werd, en dat ze zich naar aanleiding van de negatieve kritieken geheel had teruggetrokken. Jeanine Landheer vindt deze conclusies dus niet terecht. Ik kan in haar scriptie weinig meer over recensies vinden.
[4]



[1] Pay-Uun Hiu en Jolande van der Klis, red., Het honderd componistenboek :  Nederlandse muziek van Albicastro tot Zweers (Haarlem, 1997), het hoofdstuk over Anna Cramer is geschreven door Jeanine Landheer, 98-100, en Jeanine Landheer, Anna Cramer: Mythe en werkelijkheid (Utrecht, 1999)

[2] Jeanine Landheer, Anna Cramer: Mythe en werkelijkheid (Utrecht, 1999), 66, 86.

Beide luistervoorbeelden zijn genomen van de cd Anna Cramer Songs, uitgevoerd door Rachel Ann Morgan, mezzosopraan en Marjès Benoist, piano, Globe GLO 5128.

[3] Jeanine Landheer, Anna Cramer: Mythe en werkelijkheid (Utrecht, 1999)

[4] Jeanine Landheer, Anna Cramer: Mythe en werkelijkheid (Utrecht, 1999)

Laatste wijziging op: 02-05-2010 22:48