Start | Pianolessen - algemene info | Pianolessen - handige links | Dina Appeldoorn | Jeanne van der Haar-Böttger | Bertha Frensel Wegener-Koopman | Anna Cramer | Cornelie van Oosterzee | Hanna Beekhuis | Andrée Bonhomme | Henriëtte Bosmans | Linda Bandara | Anna Lambrechts-Vos | Geertruida van Vladeracken | Reine Colaço Osorio-Swaab | Annie van den Brink-Pothuis | Elisabeth Kuyper | Henriëtte van Heukelom van den Brandeler | Wie ben ik?

 

Henriëtte Bosmans

Amsterdam 1895-Amsterdam 1952

Henriëtte Bosmans was de dochter van Henri Bosmans, een cellist, en Sara Bosmans-Benedict, een pianiste. Tot haar 17de jaar studeerde ze piano bij haar moeder en daarna compositie bij Cornelis Dopper, later bij Willem Pijper. Na haar debuut als pianiste in 1915 gaf Bosmans tal van concert-, solo- en kamermuziekrecitals. Ze maakte deel uit van verschillende ensembles en veel van haar composities schreef ze voor de musici met wie ze op dat moment samenwerkte.

Zij schreef een cellosonate (1921), Poème voor cello en orkest (1926), Concertino voor piano en orkest (1928), Concertstuk voor fluit en kamerorkest (1929) en Concertstuk voor viool en orkest (1934).  Haar composities, aanvankelijk in laatromantische stijl, kregen na haar studie bij Willem Pijper (1927- 1929) een moderner karakter. Henriëtte Bosmans voelde zich bijzonder aangetrokken tot Franse muziek en de Franse taal. Ze heeft het zich erg aangetrokken dat de muziek van eigentijdse Nederlandse componisten zo weinig werd uitgevoerd. Het grootste deel van haar liederen verscheen tussen 1948, toen ze de zangeres Noëmie Perugia ontmoette, en 1951, toen haar gezondheid verslechterde. Ze schreef 41 liederen, waarvan het grootste deel is uitgegeven.  

 

Henriëtte Bosmans

Helen Metzelaar heeft haar biografie geschreven met een uitspraak van Bosmans als titel: “Zonder muziek is het leven onnodig”. 

 

Franstalige liederen

     Le diable dans la nuit

     La chanson des marins halés

     La chanson du chiffonier

Nederlandstalige liederen

     Teeken den hemel in het zand der zee (uit de liederencyclus Terugblik)

     Maria Lécina

     Daar komen de Canadezen (1945)

     Gebed (1945)

 

In 1921 schreef Henriëtte Bosmans haar eerste drie liederen  op Franse teksten. Dit was vòòr haar lessen bij Willem Pijper (die begonnen in 1927). Deze lessen hebben haar geholpen om meer los te komen van de Duitse romantiek. Tussen 1949 en 1951 schreef Henriëtte Bosmans 21 Franstalige liederen.

Leo Samama schrijft het volgende over Bosmans’ liederen: “Haar sterkste troeven heeft Henriëtte Bosmans […] uitgespeeld […] in een veertigtal liederen, waarvan het gros na 1945 is ontstaan. En juist tussen die laatste liederen zitten een paar unieke exemplaren, liederen die zelfs in hun aantoonbare stijlepigonismen zozeer de eigen persoonlijkheid van de componist uitstralen, dat dergelijke epigonismen - die overigens vrijwel geen sterveling kan ontlopen - totaal irrelevant worden. […] De keuze van de teksten alleen al is typerend voor de wat sombere, vaak depressieve Bosmans. […]. Enkele liederen heeft Bosmans zelfs naar Edith Piaf gezonden, opdat zij ze op haar repertoire zou nemen. Dat laatste tekent de houding van Bosmans tegenover de liedkunst. Geen duurdoenerij, geen l’art pour l’art als bureaukunst, maar een zeer directe expressie, impulsief en toch scherpzinnig, soms balancerend op de dunne scheidslijn tussen chanson en kunstlied. Muziek en woorden zijn niet meer te scheiden; de muziek van Henriëtte Bosmans klinkt als de meest vanzelfsprekende expressie van teksten. Met name de tien aan Noëmie Perugia opgedragen liederen behoren tot het beste wat er in ons land op dit gebied geproduceerd is.”[1]

 

Naar aanleiding van een concert van Noëmie Perugia en Henriëtte Bosmans in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam schrijft Lex van Delden het volgende in Het Parool. (Lex van Delden en Henriëtte Bosmans waren goed bevriend.) [2]: “En ten slotte (zeker niet van minder belang) was er de ideale eerste uitvoering van vier liederen van Henriëtte Bosmans op teksten van Paul Fort: voortreffelijke composities, van een zeer persoonlijke, soms aangrijpende gevoeligheid en een geheel eigen stijl. Ze hadden een zo duidelijk succes, dat het laatste herhaald moest worden. Voor het overige hoorde men liederen van o.a. Fauré, Duparc en Debussy. Te weinig nog om het niet-te-verzadigen publiek tevreden te stellen. Gevolg: drie toegiften, waarvan vooral Henriëtte Bosmans' Diable dans la nuit een onvergetelijke indruk achterliet. Zowel zangeres als pianiste kreeg prachtige bloemen.”[3]

 

          Le diable dans la nuit (tekst: Paul Fort), ca. 1933 [4]

 

Le diable court dans la nuit avec des yeux d’rubis,

avec sa p’tite fourchette fait la chasse aux sourris,

Il en tue trois cent mille, les jette à l’abreuvoir,

allume sa p’tite fourchette et fait cuire le potage,

Il le fera manger aux amants malappris

 qui ne pensent qu’à rire et tout l’jour se poulichent,

Et quand auront vomi leur coeurs à l’abreuvoir,

 avec sa p’tite fourchette, il en fera des écuelles

qu’il attachera, toutes, à sa p’tite queue verdoyante

pour faire du  bruit pendants les nuits d’orage.

 

Vertaling/samenvatting: De duivel rent in de nacht

 

In de nacht is de duivel met zijn vorkje op jacht naar muizen. Hij doodt er 300.000. Hij maakt er soep van voor ongemanierde, lompe minnaars, en van het uitgebraakte maakt de duivel napjes die hij aan zijn staart vastmaakt om er lawaai mee te maken tijdens stormachtige nachten.

 

Het lied is al in 1932 of 1933 geschreven, maar werd pas in 1952 uitgegeven in haar bundel Mélodies. De andere 9 liederen in deze bundel ontstonden tussen 1949 en 1951. Dit was de periode van de samenwerking met Noëmie Perugia. De 10 Mélodies zijn aan haar opgedragen. De eerste vijf liederen zijn op teksten van Paul Fort. Dit lied is dus uitzonderlijk in deze bundel door de vroege compositiedatum, lang voordat Henriëtte Bosmans en Noëmie Perugia elkaar kenden. In alle liederen uit deze bundel heeft de componiste de grenzen van de tonaliteit overschreden. De liederen hebben geen voortekens aan het begin van de regel en een overheersende toonsoort is meestal niet aan te wijzen. Henriëtte Bosmans zette bij veel liederen in deze bundel aanwijzingen voor de uitvoering die verder gingen dan alleen aanwijzingen betreffende ritme en dynamiek. Ze betreffen vaak de stemming die getroffen moet worden in de uitvoering, zoals ‘plaintif’, ‘doux et triste’, ‘leger’, ‘mélancolique’, ‘chanté libre’, ‘libre’ en ‘presque parlé’.
In dit lied vond ze klaarblijkelijk de verstaanbaarheid van de tekst zeer belangrijk want er staat aan het begin bij de zangstem ‘bien déclamé’. De pianopartij heeft een zeer fel percussie-achtig karakter. Overal komen scherpe, bijtende dissonanten voor. Dit begint al direct bij de drie openingsakkoorden. De akkoorden zijn heel compact, bijvoorbeeld drieklanken in beide handen. De componiste gaat speels met het felle ritme om. Vaak vallen zware accenten op lichte maatdelen. In het intermezzogedeelte bij ‘Et quand auront vomi leur coeurs à l’abreuvoir’ (‘En wanneer ze hun hart hebben uitgekotst in de soepketel’) wordt het tempo zeer vertraagd. Ook hier krijgt de piano geen melodie te spelen maar begeleidende akkoorden met tremolo’s. De zangstem heeft een plastisch uitbeeldend glissando op ‘vomi’ (‘gekotst’). Hoewel Henriëtte Bosmans soms vrij bizarre gedichten uitkoos, is Le diable court dans la nuit  in dat opzicht toch wel uitzonderlijk.

De overige vier teksten van Paul Fort uit de 10 Mélodies zijn zeer tragisch en gaan alle over de dood. Complainte du petit cheval blanc gaat over een dapper wit paardje dat door een blikseminslag omkomt. La chanson fatale gaat over afscheid en Le regard éternel is een droom over twee geliefden die samen dood in een graf liggen. La chanson des marins halés gaat over vrouwen die hun geliefden aan de zee verliezen.

 

          La chanson des marins halés (tekst: Paul Fort), augustus 1949

 

Ils ont choisi la mer, ils ne reviendront plus.

Et puis, s’ils vous reviennent, les reconnaîtrez-vous?

La mer les a masqués, avant de vous les rendre.

On ne sait s’ils sourient, ou s’ils pleurent sous leur hâle.

Et ils n’ont plus leur âme, elle est restée en mer.

Que la mer est ardente, empressée au butin !

Ils ne reviendront plus, ils ont choisi la mer.

Et puis, s’ils revenaient, seraient-ils revenus ?

 

Vertaling: Het lied van de gebruinde zeelieden

 

Ze hebben voor de zee gekozen, ze zullen niet meer terugkeren.

En dan, als ze naar je terug zouden keren, zou je ze nog herkennen?

De zee heeft ze gemaskerd, alvorens ze aan je terug te geven.

Je weet niet of ze glimlachen of dat ze huilen onder hun gebruinde huid.

En ze hebben hun ziel niet meer, die is in de zee achtergebleven.

Want de zee is vurig, gebrand op de buit!

Ze zullen niet meer terugkeren, ze hebben voor de zee gekozen.

En dan, als ze terugkeerden, zouden ze dan terug zijn?

 

Henriëtte Bosmans schreef in 1950 over dit lied: “La chanson des marins hâlés is een klacht van de zeemansvrouwen die, zelfs als hun mannen terug zouden keren van de zee, in twijfel trekken of zij wèrkelijk zijn teruggekeerd, en niet hun ziel op zee is achtergebleven. […] In al deze verzen van Paul Fort zijn de beelden in enkele trekken geschilderd en de gedachten over dit leven zijn verbonden met die over het mysterie van een ander leven.”[5]

De tweede zin uit dit citaat van Henriëtte Bosmans vat het symbolistische karakter van het gedicht kernachtig samen. Paul Fort roept door middel van dit gedicht een werkelijkheid op die niet in zakelijke termen te vangen is. In de vorm van het gedicht valt op hoe de laatste twee regels een bijna-herhaling zijn van de eerste twee. Anders en toch hetzelfde. Als de geliefden die er nog hetzelfde uitzien als ze terugkomen maar tegelijkertijd onherkenbaar veranderd zijn. De ooit zo vertrouwde gezichten worden maskers. Paul Fort schreef dat ze lachen of wenen ‘sous leur hâle’. Doordat hier het woord ‘sous’ (onder) gebruikt is, wordt de zongebruinde en verweerde huid (hâle) als een masker waaronder de gezichtsuitdrukkingen verborgen zijn. Het gedicht zet daarmee dus de eerdere beeldspraak voort dat de zee de mannen gemaskerd heeft.

Het is een verassende wending dat de zee niet persé het leven van de zeelieden opeist. De meest voor de hand liggende vrees van een achterblijvende vrouw is dat de zeeman zal verdrinken. Maar in dit lied moeten de achterblijvende vrouwen erin berusten dat ze hun man kwijt raken, zelfs al komt hij levend thuis. De zee blijkt een vurige(!) gepassioneerde minnares te zijn die de zielen van de zeelieden opeist en ze verandert.

De rechterhand van de pianopartij bestaat uit een golvende melodie in mineur-drieklanken. De linkerhand heeft een begeleiding in achtsten die alleen bestaat uit tonica en dominant (eerst C en G, verderop G en D). De zangstem gebruikt hetzelfe melodische materiaal dat door de piano is geïntroduceerd. Als een coda klinkt aan het slot nog tweemaal ‘Ils ont choisi la mer.’ Bij de tweede herhaling, waar deze regel op één toonhoogte gezongen wordt, krijgt de zangeres de aanwijzing ‘sans nuances’. Deze laatste regel klinkt mat.

Net als in Schuberts Der Leiermann uit Die Winterreise klinken piano en zangstem om beurten. Bij Schuberts lied speelt de piano niet de begeleiding voor de zanger maar een imitatie van een draaiorgeltje. De hoofdpersoon van Die Winterreise identificeert zich met de eenzame orgelman. Deze verbondenheid blijkt zowel uit de tekst als uit het feit dat de zanger de melodie van het orgeltje imiteert.

Henriëtte Bosmans heeft in dit lied iets vergelijkbaars gedaan. In La chanson des marins halés lijkt de pianopartij op een golvende zee. Een verbondenheid van de achterblijvers met de zeelieden komt gelijk te staan aan een verbondenheid met de zee. De zeelieden zijn daar immers niet alleen fysiek aanwezig maar ze zijn er ook met hun hele ziel en wezen aan gebonden. Door de zee-melodie van de piano te imiteren, probeert de zangstem deze verbondenheid tot stand te brengen. Maar omdat zangstem en piano om beurten klinken, in plaats van samen, lijkt dat niet te slagen. Een hereniging is onbereikbaar.

 

Marius Flothuis schreef over Henriëtte Bosmans’ Franse liederen: “Enerzijds had ze behoefte aan concessieloze eenzaamheid, anderzijds aan mededeling, dit laatste zo sterk dat ze in haar liederen op Franse tekst soms de scheidslijn tussen mélodie en chanson ophief. Het is muziek die wat structuur en vooral harmonische taal betreft, zeer sterk intuïtief is. Bosmans werkte niet met systemen. Ik zie het als een soort van synthese van wat ze bij Pijper aan nieuwe mogelijkheden had ontdekt, met haar eigen oorsprong, die toch wel uit de laatromantiek voortkwam”, en: “Wat mij bijzonder in die liederen die ze aan Piaf stuurde aantrekt, is de directe overdracht van een bepaalde emotionele inhoud. Ze had sterk de behoefte om dingen te schrijven waar geen dubbelzinnigheid bij was. Ze wilde direct contact met de hoorder.”[6]

La chanson du chiffonier is een van de liederen die Henriëtte Bosmans schreef met de stem van Edith Piaf in gedachten. Ze vertelde in een brief hoe ze het later aan Noëmie Perugia voorspeelde: “Ik weet natuurlijk niet welke psychologische motieven meewerkten, maar zij pakte ’t mij onmiddellijk af en zei: dat doen wij als laatste nummer 13 jan. – ze schreef mij bovendien nu uit Parijs dat zij het zelf per sé zingen wilde en degenen die ze ’t had laten zien er wild van waren. Snap je nu zooiets? Ik geloof dat je zelf totaal geen kijk op je eigen dingen hebt – de liederen die ik de beste vond wilde zij niet of begreep ze niet – en nu dit wat typisch voor de krijsch-stem van Piaf is gedacht, wil ze zelf.”[7]

 

          La chanson du chiffonier (tekst: Jules Jouy), 1950 

 

De notre naissance à la mort

Sur toute chose le temps mord.

Le torchon succède au paillon.

Et la poussière au papillon.

L’or et l’argent: neige qui fond…

Chiffon, chiffon, tout est chiffon.

 

Où sont les lettres des amants?

Plein de mots et de serments?

Où sont les billets plein d’aveux?

Les gants oubliées, les cheveux?

Constance, amour: neige qui fond…

Chiffon, chiffon, tout est chiffon.

 

Où sont les jolis compliments

Que les bébés font aux mamans?

Où sont les langes des petiots?

La bavettes et les maillots?

L’innocence: neige qui fond…

Chiffon, chiffon, tout est chiffon.

 

Où sont les rouges pantalons?

Les capotes et les galons?

Des preux fauchés comme les blés…

Où sont les vieux drepeaux criblés …

Heroïsme: neige qui fond…

Chiffon, chiffon, tout est chiffon.

 

Gloire, amour, bonhour, tour à tour

Chaque jour est chiffon un jour.

Tombe au berceau, tout est butin

Pour la hotte du chiffortin

L’existence … neige qui fond…

Chiffon, chiffon, tout est chiffon.[8]

 

Vertaling/samenvatting : Het lied van de voddenraper

 

Van onze geboorte tot de dood, aan alles knaagt de tijd, de vaatdoek volgt op het klatergoud, de stof op de vlinder, het goud en het zilver verdwijnt als sneeuw voor de zon … alles vergaat tot vodden. Waar zijn de liefdesbrieven, de vergeten handschoenen, de standvastigheid? Alles vergaat tot vodden. Waar zijn de schattige lachjes van de baby aan zijn moeder, waar de luiertjes van de kleintjes, de slabbetjes en de truitjes, de onschuld? Alles vergaat tot vodden. Waar zij de schitterende uniformen? De dapperen worden weggemaaid als koren… waar zijn de oude doorzeefde vlaggen, het heldendom? Alles vergaat tot vodden. Eer, liefde, geluk, iedere dag wordt tot een vod, het graf of de wieg, alles komt terecht bij de voddenraper. Het bestaan is als sneeuw die verdwijnt. Vodden, alles is vodden.

 

Henriëtte Bosmans koos hier een gedicht van een dichter die ook cabaratier en chansonnier was. Jules Jouy (1855-1897) trad zelf op in cabaret-theaters (eigenlijk cafés) in Montmartre in Parijs. Hij toonde in veel van zijn werk zijn sociale bewogenheid en zijn politieke voorkeuren.[9]

De relatief  lange tekst krijgt een redelijke vaart in dit lied. De twee noten waarop het woord ‘chiffon’ gezongen wordt, worden tot een soort Leitmotief dat ook alleen door de piano gespeeld wordt, soms als een echo van de zangstem. Naarmate de twintigste eeuw vorderde, werden componisten natuurlijk steeds vrijer ten opzichte van traditionele vormen en de invloed van andere muziekstijlen drong meer en meer door in de kunstmuziek. Dat uit zich in dit lied bijvoorbeeld door het feit dat de zangstem ‘Gloire, amour, bonhour, tour à tour’ en ‘L’existence … neige qui fond…’ moet spreken in plaats van zingen.

 

Matthijs Vermeulen schrijft in De Groene Amsterdammer in 1950 zelfs: “Ik zeg dat geen enkele nieuwe muziek sedert lang, een zo ontwijfelbare indruk gaf van volledig welslagen en dus van natuurlijke noodzakelijkheid … als juist de liederen door Henriëtte Bosmans gecomponeerd. Om haar uitmuntendheid te bewijzen zou ik elk detail kunnen analyseren. Zij is zó werkelijk echt en levend in haar gereduceerd bestek, dat men zou willen zeggen: vooruit, Henriëtte Bosmans! Schrijf een opera, waar licht en duisternis, ernst en humor vermengd zijn als in je liederen, die heel het leven samenvatten. Zoek een libretto dat je lijkt. Dwing ’t te komen desnoods. Onder de 100 componisten die er in Holland zijn, houd ik jou voor de beste om dat te kunnen …”[10]

 

 


[1] Leo Samama, Zeventig jaar Nederlandse muziek 1915-1985 - Voorspel tot een nieuwe dag, Amsterdam, 1986, 124

[2] Zie de site van Tatlin records: “Vijftig jaar geleden overleed de flamboyante componiste en pianiste Henriëtte Bosmans, op 2 juli 1952. Vanaf 1948 trad Bosmans op met de sopraan Noemie Perugia met wie zij een stormachtige affaire had en aan wie zij vele liederen opdroeg. Toen Bosmans na de oorlog gekluisterd aan de radio de compositie l'amour van de aankomende componist Lex van Delden hoorde, was zij dermate gegrepen door diens muziek dat zij Van Delden meteen opbelde. Zij raakten hecht bevriend en voor Van Delden, die in de oorlog zijn beide ouders had verloren, was Henriëtte Bosmans als een tweede moeder.”

[3] De site van de Lex van Delden Foundation bevat al zijn recensies in Het Parool

[4] Luistervoorbeeld genomen van cd Henriëtte Bosmans Mélodies françaises, uitgevoerd door Jannie Pranger en Tomoko Mukaiyama, NM Classics, cd-boekje door Nancy van der Elst. Nancy van der Elst schreef de Nederlandse samenvatting van Le diable court dans la nuit.

[5] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 185.

[6] Tekstboekje bij de LP met muziek van Henriëtte Bosmans, label Attaca, BABEL 8314-4 & 8315-5

[7] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 203.

[8] Luistervoorbeeld genomen van cd Henriëtte Bosmans Mélodies françaises, uitgevoerd door Jannie Pranger en Tomoko Mukaiyama, NM Classics, cd-boekje door Nancy van der Elst. Nancy van der Elst schreef de Nederlandse samenvatting/vertaling van Le chanson du chiffonier.

[9] Présentation de Jules Jouy: http://perso.wanadoo.fr/label.de.cadisc/jouy1.html

[10] Tekstboekje bij de LP met muziek van Henriëtte Bosmans, label

Attaca, BABEL 8314-4 & 8315-5

 

 

 

Henriëtte Bosmans schreef na de oorlog een aantal Nederlandstalige liederen. Behalve twee Nederlandstalige bevrijdingsliederen schreef ze: Dit eiland en In den regen (Adriaan Roland Holst), en Teeken den heemel in het zand der zee, Drie brieven, Verzen uit Maria Lécina en Een lied voor Spanje (W.F.G. Werumeus Buning).

 

         Teeken den hemel in het zand der zee (tekst: J.W.F. Werumeus Buning), augustus 1947 [1]

Teeken den hemel in het zand der zee

En ga en droom; want bij uw wederkeeren

Zullen de golven u hun wijsheid leeren,

Ruischende over het beeld van uwen vrêe.

 

Alle de woorden, wijze en geheime,

En de paleizen en de pyramiden

En vorsten die daarvoor hun volk verrieden

En volkeren, en dichters en hun rijmen.

 

Al deze zijn geweest en zij bezaten

De spiegeling der hooge hemelen;

Zij zijn gegaan, zij hebben niets gelaten.

 

Teeken den hemel in het zand der zee

En droom van hun vergetene gelaten

En droom, en wees gelukkig met uw vrêe.

 

Henriëtte Bosmans schreef de cyclus Terugblik naar aanleiding van een regeringsopdracht. De opdracht kreeg ze in december 1946 maar het duurde tot de zomer van 1947 eer ze passende gedichten had gevonden. [2] De gedichten in de cyclus zijn plechtstatig, zwaarmoedig en bevatten ouderwets taalgebruik. Het gemeenschappelijke thema van de vier gedichten is de vergankelijkheid. Het gedicht In den regen van Roland Holst bijvoorbeeld zegt: ‘ … waar mijmering nog staart om wie van hier verdwenen en lang geleden verloren ging naar de steden en over zee …” De ballade Een lied voor Spanje  van Werumeus Buning is wat minder breedsprakig maar zeker niet vrolijker. De vierde strofe luidt: “Wij kwamen in Tarregona in die groote Kathedraal. Daar stonden zeventig heiligen, puin zijn zij allemaal. Wat deert ons een heilige in puin, die tijd zal overgaan. De wereld is al eer vernield. Gods avondster bleef staan. Of soms niet?”  Deze vier liederen verschillen van de Franse liederen die ze vanaf 1949 schreef, waarover meer in hoofdstuk 7. De liederen in Terugblik zijn veel introverter, hebben over het geheel genomen veel langzamere tempi, en een verschillend soort teksten. In Teeken den heemel in het zand der zee is de ligging van de pianopartij laag met veel diepe basnoten. Het lied heeft een steeds terugkerend, somber motief van vier noten dat voor het eerst klinkt in de derde maat tijdens de introductie van de piano. Dit motief wordt verderop in het lied soms door beide handen in unisono gespeeld. Soms klinkt een variatie op dit motief. In het sonnet van Werumeus Buning horen inhoudelijk en door de woordherhalingen het eerste kwatrijn en het tweede terzet bij elkaar en de twee middelste strofen horen bij elkaar. In het lied heeft de zangstem in deze twee middelste strofen minder lange noten zodat de tekst meer vaart krijgt. Ondanks het verschil met Bosmans’ Franse liederen heeft dit lied toch onmiskenbaar haar eigen geluid. De zangstem is door de vele toonherhalingen heel kenmerkend voor de liederen van Henriëtte Bosmans.



[1] Het luistervoorbeeld komt van de cd Henriëtte Bosmans and her circle, Globe GLO 5183. De uitvoerenden zijn Julia Bronkhorst, sopraan, en Maarten Hillenius, piano.

[2] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 150, 151

 

Henriëtte Bosmans heeft eveneens na de Tweede Wereldoorlog diverse opdrachten gekregen voor het componeren van liederen op Nederlandse teksten. Zoals in hoofdstuk 5 al ter sprake kwam schreef ze in 1947 in opdracht van de regering een liedcyclus Terugblik op teksten van Werumeus Buning en Adriaan Roland Holst. In 1951 kreeg ze opnieuw een regeringsopdracht voor het componeren van Maria Lécina op tekst van Werumeus Buning. Het ministerie van OK en W had een aantal korte liederen in gedachten, maar in overleg met de dichter besloot Henriëtte Bosmans om er één lied van te maken. Het resultaat was een ballade van van ruim 10 minuten.[1] Van de 100 coupletten van Maria Lécina had Henriëtte Bosmans er met goedkeuring van de dichter 17 uitgekozen. Dit bijzonder Spaans getinte lied is voor de eerste maal - postuum - uitgevoerd tijdens het Holland Festival van 1953. Het Algemeen Handelsblad van 2 juli 1953 schreef erover: “[…] Zeventien van de honderd coupletten zijn met toestemming van de dichter, Werumeus Buning, samengetrokken tot een ballade, zoals er in de annalen der toonkunst slechts weinige te vinden zijn, vehement is deze muziek, wild brutaal, bij momenten rauw en van verzengende hartstocht. Tevens heerst er een alles verzoenende tederheid en noblesse in dit grandioze loflied op een prostituee.”[2]



[1] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 150, 151.

[2] Ellen Looyestijn, Henriëtte Bosmans, in Helen Metzelaar (red.) e.a., Zes vrouwelijke componisten (Zutphen, 1991), 138

 

Henriëtte Bosmans schreef de bevrijdingsliederen Lead, kindly light, Gebed en Daar komen de Canadeezen. Ze heeft ze alledrie opgedragen aan Jo Vincent. Daar komen de Canadeezen  werd o.a. in een afgeladen Concertgebouw uitgevoerd tijdens de Manetoconcerten Vrije Klanken op 9 en 10 juni 1945, door Jo Vincent en Henriëtte Bosmans. Ze voerden samen ook Oranje-May lied van Johanna Bordewijk-Roepman uit en een lied van Hendrik Andriessen. Jo Vincent schreef in haar memoires”: “En dan was er een tekst van Fedde Schurer, de Friese dichter, voor mij door Henriëtte Bosmans uiterst populair getoonzet. Het werd een echte schlager. Daar komen de Canadezen (wij knabbelden toen nog dankbaar op de grote biscuits, die zij hadden meegebracht!) De mensen braken de zalen af … de ingetogen liedliefhebbers hebben er zich wel eens aan geërgerd.”[1]

De openingsregels gaan als volgt:

 

Daar nadert van verre het dreunend geweld

Van het heir der vereenigde naties.

Daar komen ze reddende nader gesneld

In machtige motorformaties.

 

Het lied Gebed is niet uitgevoerd tijdens het Vrije Klanken concert in juni 1945 maar het is daarna (in elk geval begin juli) wel uitgevoerd in het Concertgebouw. Vlak na de oorlog heeft Jo Vincent Gebed en Daar komen de Canadezen  soms wel vijf maal per week gezongen voor volle zalen. Henriëtte Bosmans begeleidde haar vaak zelf tijdens deze concerten.[2] Vooral Gebed kreeg goede recensies in de kranten.[3]

 

          Gebed (Fedde Schurer), mei 1945 [track 14][4]

 

Heer, zegen Gij ons volk en laat het nooit

Van moedwil en van overmoed bezeten

Een mensch vergoden en Uw wet vergeten

Van haat en angst vervuld, van ziel berooid.

 

Heer, zegen gij ons volk en maak het groot

Met vrije mensen naar uw beeld geschapen

En zij Uw almacht ons ten weer en wapen

En hoedt ons trouw in alle nood en dood.

Amen.

 

De Friese dichter Fedde Schurer (1898-1968) woonde van 1930 tot 1946 met zijn gezin in Amsterdam. Hij was overtuigd pacifist en kwam daardoor in conflict met de Gereformeerde Kerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde zijn huis als onderduikadres en hield hij zich actief bezig met het schrijven van verzetspoëzie. In het algemeen schreef hij in het Fries maar tijdens de oorlogsjaren schreef hij ook in het Nederlands.[5]

Henriëtte Bosmans moet via het informele circuit aan de teksten van Fedde Schurer gekomen zijn. Het gedicht Daar komen de Canadezen kan niet eerder dan in mei 1945 zijn geschreven en al in dezelfde maand heeft Bosmans de gedichten getoonzet. De dichter en de componiste woonden allebei in Amsterdam.

 

Gebed sluit in stijl meer aan bij de liederen uit Bosmans’ cyclus Terugblik dan bij haar nog latere Franse liederen. Maar in vergelijking met Terugblik is dit lied wat minder somber. Het is eerder van een ingetogen sereniteit. De dichter refereert in de eerste strofe klaarblijkelijk aan de ‘moedwil’ en de ‘overmoed’ van de nazi’s die ‘een mensch vergo[od]den’ maar hij noemt dit natuurlijk niet bij naam. De zangpartij ligt in de eerste strofe nogal laag - voor een sopraan - en de melodie heeft hier slechts een omvang van een verminderde kwint. De tweede strofe heeft daarentegen een aantal climaxen op sleutelwoorden in de context van de bevrijding: ‘volk’, ‘groot’ en ‘vrije’.


 



[1] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 127

[2] Helen Metzelaar, Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans [1895-1952], een biografie, (Zutphen, 2002), 126, 127.

[3] Idem. Helen Metzelaar citeert Trouw van 4 juli 1945 en de Nieuwe Leidsche Courant van 19 juli 1945.

[4] Het luistervoorbeeld komt van de cd Henriëtte Bosmans and her circle, Globe GLO 5183. De uitvoerenden zijn Julia Bronkhorst, sopraan, en Maarten Hillenius, piano.

 

[5] Een biografie van Fedde Schurer staat op de site http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/mnl/levens/73-74/schurer.htm

 

 

Helen Metzelaar schrijft over het lied Der Kaiser (Li Tai Po) van Henriëtte Bosmans uit 1927: “Opvallend zijn de open akkoorden (akkoorden zonder terts), de polyritmiek; de oosterse sfeer wordt geaccentueerd door pentatoniek. Een herkenbaar ritmisch gegeven begeleidt iedere beweging van de keizer. In 1986 instrumenteerde de componist Joep Straesser deze drie liederen omdat hij ze zo aantrekkelijk vond. Hij gaf hierbij het volgende commentaar: ‘Vooral opvallend bleek het vaak vermijden van voor de hand liggende symmetrieën door het gebruik van onregelmatige zinsbouw en varianten bij herhalingen. De vaak statische harmonische velden herinneren soms aan Debussy; soms ook voelt men in de verte de aanwezigheid van Mahler.’”

 

Helen Metzelaar

Zonder muziek is het leven onnodig. Henriëtte Bosmans (1895-1952) een biografie

 

Laatste wijziging op: 02-12-2006 09:17