Start | Pianolessen - algemene info | Pianolessen - handige links | Dina Appeldoorn | Jeanne van der Haar-Böttger | Bertha Frensel Wegener-Koopman | Anna Cramer | Cornelie van Oosterzee | Hanna Beekhuis | Andrée Bonhomme | Henriëtte Bosmans | Linda Bandara | Anna Lambrechts-Vos | Geertruida van Vladeracken | Reine Colaço Osorio-Swaab | Annie van den Brink-Pothuis | Elisabeth Kuyper | Henriëtte van Heukelom van den Brandeler | Wie ben ik?

Linda Bandara

pseudoniem van Sieglinde Hofland Leber  (1881-1955)

Componiste van Oostenrijkse afkomst. Haar eerste muzikale opleiding ontving ze van haar moeder, die weer had gestudeerd bij Anton Bruckner. Ze was eveneens een leerlinge van Joseph Marx in Wenen (bij wie ook Clara Wildschut een jaar lang gestudeerd heeft). Ze was gehuwd met een Nederlandse man. Ze woonde jarenlang in Nederlands-Indië en heeft zich zeer ingezet voor de Javaanse muziek, vooral om een notenschrift te ontwikkelen dat voor de Javaanse muziek en het instrumentarium geschikt was. In haar visie zou de Javaanse muziek zich alleen dan kunnen ontwikkelen, als wat overgeleverd is werd vastgelegd. Artikelen van haar hand over dit onderwerp, zowel in het Nederlands als in het Duits, verschenen in verschillende tijdschriften.  Ze ontving in of voor 1924 als dank voor haar inspanningen voor dit notenschrift vier gongs van de sultan van Djokdjakarta, die ze vervolgens aan de Weense Staatsopera schonk, waar ze onder meer gebruikt zijn als de klokken in Wagners Parsifal. In haar eigen composities, zoals het driedelige symfonisch gedicht Ländlische Stimmungsbilder aus Java, probeerde ze een vermenging tot stand te brengen tussen westerse en Javaanse muziek. Dit werk werd uitgevoerd door de Wiener Symphoniker o.l.v. Rudolf Nilius en deze uitvoering werd op de Oostenrijkse radio uitgezonden op 15 januari 1937.[1]

 

 

Onlangs is een CD opgenomen met liederen van Linda Bandara.

Klik hier: Indisch klassiek

 

 

In de Kleine Konzerthaus-Saal in Wenen vond op woensdagavond 12 december 1928 een concert plaats met de uit Java afkomstige zangeres Jacoba Rietbergh. Ze eindigde het concert met enkele door Linda Bandara bewerkte Javaanse volksliederen (voor zangstem en piano-vierhandig). Een Weense krant schrijft naar aanleiding van dit concert: ‘Sie trug teils alte, teils neue Gesänge und als exotischen Schlusspunkt javanische Volkslieder vor, die im Original mit Gamelang (Orchester) begleitet werden, für den abendländische Konzertgebrauch aber von der nicht unbekannten, auch durch ihren javanischen Musikforschungen verdienstvollen Komponistin Linda Bandara für eine Singstimme und zwei Klaviere bearbeitet wurden und als Dokumtente ostasiatischer Musik alle beachtung verdienen.’

 

In Den Haag werd op 23 maart 1937 een concert georganiseerd door Stichting Excelsior. Onder leiding van Otto Glastra van Loon werden door het Nederlands kamerorkest met de alt Ans Stroïnk vier orkestliederen van Linda Bandara uitgevoerd. De componiste schreef in de toelichting dat ze omwille van de bijzondere klank de traditionele instrumenten zoals die in de gamelan heeft gecombineerd met een westers orkest. Wel moesten de instrumenten aan het westerse toonstelsel worden aangepast. Het gaat om de liederen Der Vollmond (de begeleiding van dit lied geeft het zachte schommelen der palmbladeren in het maanlicht weer, zo schrijft Linda Bandara in de programmatoelichting) op een tekst van Max Dauthendey, een lied van de Noto Soeroto, en twee liederen van Tagore in Duitse vertaling.

Hier volgen enkele recensies van dit concert:

 

“Derde noviteit: vier liederen voor alt, strijkers, blazers en gamelan van Linda Bandaro (sic). De componiste is naar ik vernam, Oostenrijksche, die eenige jaren in Ned.-Indië is geweest. Ik heb den indruk gekregen, dat mevr. Bandaro de Westersche en Oostersche muzikale psyche tot éen geheel heeft willen brengen, een synthesis tussen beide psyche’s. Maar ik geloof, ik ben er, beter gezegd, zeker van, dat dit onmogelijk is. Een van de twee moet daarbij het onderspit delven, een evenwicht is niet mogelijk. Wil men beider karakter even veel recht doen wedervaren, komt men noodzakelijk tot een hybridisch genre, dat een eigen karakter mist. In haar poging is de componiste dan ook niet geslaagd. Men krijgt in de drie eerste liederen (op teksten van Tagore[2]; maar waarom moesten deze in het Duitsch vertaald worden?) den indruk, dat de gamelan erbij is gehaald om de locale sfeer enigszins te versterken. Zij had echter even goed weg kunnen blijven, want haar aandeel is zeer ondergeschikt en voor den teeren, fijnen klank dezer instrumenten, heeft mevr. Bandaro het orkest trouwens te overladen behandeld. Zonder dan de gamelan, blijft er voor deze drie liederen een compositie over welke getuigt van inspiratie, intelligentie en bekwaamheid, maar welke psychologisch dan toch onbevredigd laat. In het vierde lied (ook in het Duitsch) op tekst van Max Dauthendey, wordt de altpartij uitsluitend ondersteund door gamelan, maar muzikaal-psychologisch is het vocale element niet in overeenstemming met het klanken-mysterie van de gamelan. Al acht ik dit wek in zijn geheel dus niet geslaagd, althans niet beantwoordend aan het doel, dat de componiste zich, naar mijn meening, heeft gesteld, heb ik voor de wijze, waarop zij getracht heeft dat doel te bereiken, allen eerbied.

Mevrouw Ans Stroïnk vertolkte de liederen met zeer prijzenswaardig begrip; zij is in het bezit van een welluidend orgaan dat uitstekend geschoold is. Glastra van Loon droeg zorg voor een goede orchestrale medewerking, doch ook hier had hij het instrumentale volume iets kunnen reduceeren. Compositie en uitvoering hebben veel succes verworven. Mevr. Linda Bandaro verscheen voor het podium om voor den bijval te danken, en haar, evenals de zangeres werden bloemen aangeboden.”[3]

 

“Het betreft hier een zoowel melodisch als harmonisch aangename muziek, die wel een zekere sfeer en stemming wekt, maar een nieuw geluid toch niet laat hooren. In de verte doemt soms Mahler op, zooals wij hem uit Das Lied von der Erde kennen.”[4]

 

“Met vier liederen van Linda Bandara, met begeleiding van strijkers, blazers en gamelan, heeft de zangeres een groot en welverdiend succes bereikt. Ze zijn zeer interessant geïnstrumenteerd, geven een typische gamelan-stemming hoewel wat aangepast aan het huidige lied en orkestmateriaal. Trunkenheit in de vanzelf grootere bewogenheid en als tegenstelling Der Vollmond hebben den meesten indruk gemaakt; de stem begon hier ontroerend mooi van opzet, treffend in eenvoud als dit geschreven is.”[5]


“Ans Stroïnk droeg vier liederen van de Oostenrijksch-Nederlandsche componiste Linda Bandara voor, op in het Duitsch vertaalde gedichten van Noto Soeroto en Tagore en een gedicht van Dauthendey. Het bijzondere aan deze composities is dat Linda Bandara, door haar lange verblijf op Java hiertoe geïnspireerd, zich grootendeels tracht uit te drukken in het Javaansche idioom. Behalve strijkkwintet en blazers gebruikt zij zes slaginstrumenten, die nabootsingen zijn van gendhers en sarons, hoofdinstrumenten van den Javaanschen gamelan. In het lied Der Vollmond bestaat de geheele begeleiding zelfs uitsluitend uit deze percussieinstrumenten en hier is de sfeer het zuiverst en vol stemming. Te bewonderen is de vermenging van de typisch statische elementen van de Oostersche muziek en de dynamische van de Westersche, ofschoon de eerste de hoofdzaak zijn. Ook is de vermenging van onze harmonisch duidbare toonsoorten met de uitsluitend melodische lagoe’s – in intervallen en algeheelen ductus Javaansch – treffend. De lange lijnen der strijkersbegeleiding vallen soms uit den toon; het variatie-procédé der Javaansche muziek laat zich niet zonder meer op de strijkinstrumenten overbrengen. De zanglijn van de altstem is instrumentaal behandeld, en heeft nergens vaart, zelfs niet in Trunkenheit; deze zangpartij vereischt een welluidende, diepe en krachtige altstem, van tamelijk exclusief karakter, - zeer On-oostersch overigens. Over de samenvoeging van twee moeilijk vereenigbare elementen – ‘and never the twain shall meet’– moge men denken hoe men wil, zeker is dat de schrijfster hierin veel talent heeft getoond. Het is werkelijk bedroevend, hoe weinig Nederlandsche componisten – indien zij al over kennis van zaken beschikten – zich door de hoog-gecultiveerde Javaansche muziek hebben laten inspireeren. Daarom zie ik in deze liederen meer dan een buitenissigheid, die alleen maar interessant is.”[6]

 

In Oostenrijk zijn dezelfde liederen al enkele dagen eerder ook uitgevoerd. Op 14 maart 1937 verscheen er een recensie in een Weense krant maar daar wordt alleen summier vermeld dat het ‘vier stimmungsvolle Lieder’ waren.



[1] Alle informatie in dit hoofdstuk komt uit Linda Bandara’s archief, Nederlands Muziek Instituut, Den Haag, doos 3560. Biografische gegevens zijn gebaseerd op krantenknipsels uit deze doos.

[2] Dat klopt niet helemaal: twee van Tagore en één van Noto Soeroto

[3] De Avondpost, Den Haag

[4] De Haagsche Courant

[5] Het Vaderland

[6] Het Algemeen Dagblad

Laatste wijziging op: 02-12-2006 09:11