Start | Pianolessen - algemene info | Pianolessen - handige links | Dina Appeldoorn | Jeanne van der Haar-Böttger | Bertha Frensel Wegener-Koopman | Anna Cramer | Cornelie van Oosterzee | Hanna Beekhuis | Andrée Bonhomme | Henriëtte Bosmans | Linda Bandara | Anna Lambrechts-Vos | Geertruida van Vladeracken | Reine Colaço Osorio-Swaab | Annie van den Brink-Pothuis | Elisabeth Kuyper | Henriëtte van Heukelom van den Brandeler | Wie ben ik?

Elisabeth Kuyper (1877-1953)

 

Henriëtte van Heukelom van den Brandeler (1884-1985)

 

 

 

Elisabeth Kuyper

Amsterdam, 13 september 1877 – Muzzano (Zwitserland) 26 februari 1953
Ze studeerde piano en compositie aan het muziekschool van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in Amsterdam. In 1895 nam zij een jaar lang compositieles bij Daniël de Lange en verhuisde het jaar daarop naar Berlijn. Ze vond daar aanvankelijk niet de leraar die zij zocht en begon zelf muzieklessen te geven, maar in 1901 werd ze aangenomen in de compositieklas van Max Bruch. Max Bruch is zich ook na die tijd voor haar blijven inzetten, onder andere door haar werken uit te voeren en te dirigeren. Ze was zowel in Nederland als in het buitenland vooral actief als oprichtster van diverse vrouwenorkesten, wat met veel frustratie gepaard ging en haar veel tijd en energie heeft gekost - als dirigente, en als componiste van symfonisch werk. Het lied was niet een van haar voornaamste genres. Ze heeft niet veel liederen geschreven: een cyclus van 6 Duitstalige liederen, de Sechs Lieder uit 1922, en nog enkele losse liederen, in totaal ongeveer 9. De Sechs Lieder, geschreven 20 jaar na de leertijd bij Max Bruch, zijn onderling heel divers en vertonen de invloed van Richard Strauss en Mahler.[1]

 

                      Ich komme heim aus dem Sonnenland (tekst: Anna Ritter), 1922[2]  

Ich komme heim aus dem Sonnenland,

Ich bin der ganzen, blühenden Tag

in lauter Schönheit gegangen.

Nun fliegt’s mir um Stirn und Wangen

Noch wie ein verklärter sel’ger Schein.

Sieh mir nicht so in die Augen hinein,

Sonst nimmt es dich auch gefangen:

Dann kommen wir nicht von einander los

Und schauen uns an so sehnsuchtsgross

Und finden aus lachendem Märchenglück

Nie mehr den Weg in das Leben zurück.

 

Hier is opnieuw een gedicht van Anna Ritter getoonzet. Net als het voorgaande Ein Stündchen lang van Bertha Frensel Wegener-Koopman (track 1) is dit een extatisch, gelukzalig gedicht. 

Het romantische karakter van het gedicht blijkt al uit de woorden ‘Sehnsuchtgross’ en ‘Märchenglück’, een verwijzing naar een sprookjesachtige, onwerkelijke gelukzaligheid. Anna Ritter beschrijft deze toestand als iets dat niet zonder gevaar is. Je zou erin gevangen kunnen raken en nooit meer de weg terug naar het leven kunnen vinden. Dit is een variant op een oud thema: syrenen, zeemeerminnen, elfen en andere sprookjeswezens kunnen stervelingen meelokken om nooit meer levend terug te keren. Al in Schuberts liederen komt dit gegeven enkele malen voor, bijvoorbeeld in Der Erlkönig en Der Fischer.

 

Elisabeth Kuyper heeft op deze tekst een bijzonder uitbundig lied geschreven. De piano heeft een virtuoos voorspel waarbij de rechterhand de melodie in octaven speelt. Dit voorspel is bijzonder uitgebreid. Het beslaat bijna een kwart van de totale lengte van het lied. De pianopartij wordt na deze indrukwekkende intro iets bescheidener om de zangstem niet te zeer te overstemmen. Het lied volgt de inhoud en niet de vorm van het gedicht. De indeling stemt overeen met de inhoudelijke driedeling in het gedicht (regel 1-3 / 4-5 / 6-11) maar houdt geen rekening met het rijmschema. Dit rijmschema is niet regelmatig (a b c c d d c f f g g).

 

Het lied begint met een grote gedrevenheid maar deze neemt geleidelijk aan af. Het keerpunt ligt op de helft van het lied. In de maat voorafgaand aan: ‘Sieh’ mich nicht so in die Augen hinein’ heeft de piano een sterk ritenuto. Een moment lang staat de muziek haast stil. Vanaf dat punt vindt er weer een geleidelijk crescendo plaats. De zangstem zet zacht in (dolce) maar het lied wordt geleidelijk weer uitbundiger. Vanaf  ‘Dann kommen wir nicht von einander los’ heeft de melodie in de zangstem een stijgende lijn tot de climax op ‘Leben’. De piano heeft nog een kort maar stormachtig naspel.



[1] Biografische gegevens ontleend aan Willem Jeths en Philomeen Lelieveldt, Elisabeth Kuyper, in: Helen Metzelaar (red.) e.a., Zes vrouwelijke componisten (Zutphen, 1991)

[2] Luistervoorbeeld van cd Zes vrouwelijke componisten/Six women composers, aspects of chamber music from The Netherlands, uitgevoerd door Irene Maessen, sopraan en Frans van Ruth, piano. Centrum Nederlandse Muziek en Radio Nederland Wereld Omroep, 1991.

 

 

 

 

 

 

Henriëtte van Heukelom van den Brandeler

 

Den Haag, 25 september 1884 – Baarn 11 april 1985

Ze kreeg pianoles bij Johan Wagenaar op de muziekschool van de Maatschappij ter Bevordering der Toonkunst in Utrecht. Na haar verhuizing naar Den Haag zette zij de pianolessen voort. Nadat zij al verschillende composities op haar naam had staan, enige liederen en werken voor piano en voor vrouwenkoor, ging zij zich verder bekwamen in compositieleer bij Bernard Zweers in Amsterdam en later, omstreeks 1912, bij Walter Braunfels (1882-1954) in München. In 1906 verschenen voor het eerst drie liederen (opus 2) van haar in druk. Kort daarna gaf de Algemeene Muziekhandel in Amsterdam een bundeltje met vijf liederen van haar uit. In mei 1908 nam zij voor het eerst contact op met Noske en bood zij werk aan. Noske was geïnteresseerd in publicate. Nog in datzelfde jaar komen zeven liederen in druk en in 1910 nog eens drie liederen. Het eerste dat Noske in 1916 uitgaf zijn opnieuw vijf liederen van Henriëtte van Heukelom-van den Brandeler die in 1914 inmiddels getrouwd was met dr.ir. G.W. van Heukelom. De liederen kregen gunstige perskritieken. Willem Landré schreef in Het Muziek-college:[1] ‘Een treffend bewijs van compositietalent, waarvoor ik gaarne veler belangstelling vraag.’ Op het “Nederlandsch Muziekfeest” in 1912 in Amsterdam zijn twee van haar liederen uitgevoerd in het Concertgebouw, gezongen door de sopraan Dora Zweers-de Louw, de echtgenote van Bernard Zweers. Door de aandacht die zij aan haar gezin gaf, kwam haar muzikale creativiteit in de verdrukking. Na het overlijden van haar man, zette zij zich op 72-jarige leeftijd weer aan het componeren..[2]



[1] Dit tijdschrift bestond van 1913 tot 1917.

[2] Biografie overgenomen uit Elbert van Zoeren, De muziekuitgeverij A.A. Noske (1896-1926), een bijdrage tot dertig jaar Nederlandse muziekgeschiedenis, 1987, biografie Henriëtte van Heukelom van den Brandeler, 153

Laatste wijziging op: 02-05-2010 22:49