Start | Pianolessen - algemene info | Pianolessen - handige links | Dina Appeldoorn | Jeanne van der Haar-Böttger | Bertha Frensel Wegener-Koopman | Anna Cramer | Cornelie van Oosterzee | Hanna Beekhuis | Andrée Bonhomme | Henriëtte Bosmans | Linda Bandara | Anna Lambrechts-Vos | Geertruida van Vladeracken | Reine Colaço Osorio-Swaab | Annie van den Brink-Pothuis | Elisabeth Kuyper | Henriëtte van Heukelom van den Brandeler | Wie ben ik?

Dina Appeldoorn (1884-1938)

Jeanne van der Haar-Böttger (1882-1954)

 

 

 

Dina Appeldoorn

26 februari 1884 – 4 december 1938

Ze studeerde piano en compositie bij Johan Wagenaar en Frits Koeberg. Vanaf 1910, het jaar waarin ze afstudeerde aan het conservatorium, zijn er in ieder geval 20 liederen van haar gepubliceerd. Ze schreef liederen op Nederlandse en Duitse teksten en 6 Esperanto-liederen. Ze heeft heel veel opgetreden als pianiste en begeleidster, waarbij ook vaak wat eigen werk werd uitgevoerd. Er zijn in haar archief een aantal plakboeken met recensies en programma’s. [1]

 

Dina Appeldoorns liederen zijn heel veel uitgevoerd. Lena van Diggelen was de zangeres die ze in haar beginperiode (zo omstreeks 1910) steevast begeleidde en op vrijwel ieder concert stonden wel een of twee van haar liederen geprogrammeerd. Ook andere zangeressen, zoals de alt Julie de Stuers, hebben haar muziek gezongen. Julie de Stuers gaf in het buitenland graag recitals met liederen van Nederlandse componisten zoals Diepenbrock, Bertha Frensel Wegener-Koopman en Dina Appeldoorn.[2] Dina Appeldoorn heeft haar Vondel-liederen ook aan haar opgedragen. Dina Appeldoorn was bijzonder actief als pianiste en begeleidster en had zodoende volop gelegenheden om haar recentste liederen te laten horen.

 

In 1909 werd een liederenbundeltje van Dina Appeldoorn uitgegeven, met de titel Frissche Bloemen. In de Telegraaf van 25 juli 1909 stond: “Deze bundel behoort tot het beste wat dit jaar verschenen is. Reeds het eerste liedje van Guido Gezelle, een wiegeliedje, is bekoorlijk, ook in de aardige begeleiding. Maar mej. Appeldoorn hoede zich voor de gemakkelijkheid van de gebroken akkoorden, zelfs wanneer die een harmonisch opfrissertje krijgen. Toch is het schemerliedje van Reddingius ook heel aardig. “Het Meezennestje” en “Het Zandwegje” zijn wat minder, maar frisch klinkt de “Dorpskinderdans” van Gouwe. Toch – dit wordt ons bedorven door vergelijking, wie ooit dit liedje van Cath[arina] van Rennes, door Hanna Verbena hoorde zingen, voelt, wat Dina Appeldoorn nog in geestige melodiek mist. Dat heusch zo banale dingetje van v. Rennes is een juweeltje van humor en ….. muzikaliteit. Ernstige muziekbeoordelaars – ik rangschik mijzelf tot de niet-ernstige! … - zullen de bewerking van Dina Appeldoorn verkiezen. Maar ze zijn beide aardig en écht Hollandsch.”

 

De Amsterdammer – Weekblad voor Nederland (zonder datum) gebruikt de woorden ‘fijn’, ‘teeder’, ‘naïef gelijk de tekst’ in de beschrijving van deze 6 liederen.

 

Het Handelsblad van 1 december 1909 schrijft: “De keus der gedichten diet haar smaak eer aan. Gezelle, René de Clercq, Joh. Reddingius, W.F. Gouwe, zij inspireerden de jonge componiste tot liederen die al dadelijk door het natuurlijke, en ook door bekoorlijke innigheid soms, aantrekkelijk zijn. Dina Appeldoorn voelt goed het naïeve van een Gezelle. […] Een frisch talent bezit Dina Appeldoorn.”

In 1909 en 1910 zijn de liederen uit Frissche Bloemen geregeld uitgevoerd door Lena van Diggelen en Dina Appeldoorn. Naar aanleiding van een concert op 24 februari 1910 stond in het Haarlems Dagblad: “In haar medeconcertante die Mej. van Diggelen op uiterst muzikale wijze op de piano begeleidde, werden we vergast op 2 kleine compositietjes, die evenwel zonneklaar bewezen dat mej. Appeldoorn een heel-fijn talent bezit, dat het ook aan frissche oorspronkelijkheid en diepte niet ontbreekt. Vooral het guitig-schalksch Vlaamsche liedeke van René de Clercq ‘Vlinderig, vleierke’ is zuiver gevoeld van conceptie en geeft elk licht emotietje in de luchtige zinnetjes uitnemend weer. Toch zouden we, alvorens een beslist oordeel te vellen, gaarne nog eens iets van haar hooren. Moge dit spoedig ’t geval zijn.”

 

De liederen Zacht suiz’len de blaâren (tekst: J.G. van der Haar) en Cupidootje (tekst: C.S. Adama van Scheltema) vielen niet altijd in de smaak. Het Zuid Hollands Dagblad van 26 oktober 1911 schrijft: “De zangeres zong nog twee aardige dingskes van Dina Appeldoorn, Zacht suiz’len de blaâren van J.G. van der Haar en Cupidootje van C.S. Adama van Scheltema, muzikaal kleingoed van uitstekende kwaliteit. Jammer dat de tekstdichter van laatstgenoemd lied den kleinen Cupido onrecht aandeed door zijn naam te vulgaariseeren en het zwaare accent op de eerste in plaats van op de tweede lettergreep te doen vallen.” De componiste treft dus hier geen blaam. De Avondpost van die dag schreef: “De beide liedekens van Mej. Appeldoorn zeiden mij als compositie niet zoveel, hetgeen gezien de keuze der teksten niet verwonderen kan, weinig geschikt als zij mij lijken voor eene geïnspireerde muzikale bewerking. Het tweede Cupidootje was zeker als slotnummer niet te best gekozen, althans Cupidootje schoot niet raak onder het publiek.” In Duitsland sloeg Cupidootje wel aan. Der Heimat schreef op 8 november 1911: “Nachher sang sie [de zangeres Marie Last] noch Lieder von Brahms und solche von der holländische Komponistin Dina Appeldoorn, wobei sie sich durch drolligen Vortrag des Liedes Cupidootje stürmische Erfolg erzwang.”

 

De Haagsche Kunstkring organiseerde in maart 1909 de Vijfde Nederlandsche Componisten Matinee. Tijdens dit concert werden van vier Nederlandse componisten (2 mannen / 2 vrouwen) in totaal 23 liederen uitgevoerd, waarvan 6 liederen van Bertha Frensel Wegener-Koopman (Stabat Mater, Ik kan niet lachen, ik kan niet weenen, Een windeke suist om mijn ooren, Een karretjen dat op den zandweg reed, Ein stündchen lang en Reue) en 7 van Dina Appeldoorn. Hieronder volgen drie recensies naar aanleiding van dit concert.

 

“Nadat we den avond te voren een orkestprestatie van een Hollander hadden kunnen genieten, troffen de liederen van deze Hollandsche matinée dubbel door hun oorspronkelijkheid, als we Reue voorbijgaan. Over 23 liederen in vijf kwartier (met pauze) gezongen zal men geen gedetailleerde bespreking verwachten, dus slechts enkele opmerkingen. We hoorden dan composities van mej. Dina Appeldoorn en mevr. B. Frensel Wegener-Koopman, en van de heeren dr. Molenbroek en Koeberg. Mej. A. zag men tweemaal aan het klavier, eerst haar liederen voor alt met Duitschen tekst, daarna voor sopraan met Hollandschen [tekst] begeleidend. Het best beviel ons haar nationale inspiratie, hoewel ook de Duitsche naar volgorde beter ging; zeer goed getroffen de muziek bij den tekst der beide ‘Gezelletjes’ [dat waren: Slaapt, slaapt, kindje en Het meezennestje, beide uit de bundel Frissche Bloemen]. Meer troffen ons de verschillende verzen van mevr. F. W.-K. behalve het laatste, waarvan het motief reeds eerder geklonken had. Noemen we als de o.i. het best geslaagde Een windeke suist om mijn ooren, Een karretje dat op den zandweg reed (Heije) en Ein Stündchen lang naar Anna Ritter, die een oovergroote meerderheid behaalde bij de ‘stemming’ van heeden. Het grootste succes gunde men echter den heeren der schepping, die nog beduidender werk hadden geleverd, als In der Vaderstadt en In verschwiegener Nacht van dr. Molenbroek, vooral het eerste maakte diepen indruk, niet het minst door de gevoelige woordenkeuze.”[3]

 

“Een enkele maal hadden wij de flauwe hoop dat het streven van den Kring om de Nederlandsche scheppende toonkunst te bevorderen werkelijk ernst ging worden. … Maar nu heeft ’t er weer alles van of wij teruggaan naar ’t klein en onnoozel gedoe waarmee men begonnen is. […] Met alle respect voor het muzikaal talent van mej. Dina Appeldoorn bijvoorbeeld, van wie een zevental liederen op dit program vertegenwoordigd waren, kunnen wij niet verhelen dat dit werk nog te zeer getuigt van onheholpenheid en een gebrek aan technische beheersing om au serieux genomen te worden. Zeer zeker is hier aanleg te bespeuren, maar de vruchten zijn nog onrijp. Geen dezer liederen is een logisch afgewerkt geheel. Met brokjes aaneengeregen fantasie, waarbij wel eens heel even de stemming van ’t gedicht benaderd wordt, doet men nog geen lied ontstaan. ’t Werk van mevr. Frensel Wegener maakt wel een beter en degelijker figuur. Zij verstaat de kunst van ‘t componeeren, heeft zelfs veel muzikaal gevoel en inspiratie. Maar het faalt haar aan oorspronkelijkheid. In Stabat Mater,  technisch en muzikaal de best geslaagde compositie van de zes, kunnen we toch niet anders zien dan de goede imitatiekunst van een verouderd genre. Van de overigen houden Een windeke suist om mijn ooren en Reue inmiddels nog goede beloften in voor een meer zelfstandige en moderner kunst.”[4]

De liederen van de componisten Molenbroek en Koeberg kwamen er nog slechter af in deze recensie.

 

Jammer dat men nog steeds maar rijp en groen door elkaar gooit, bij de samenstelling dezer programma’s. Hoeveel respect ik ook heb voor de “Compositionsversuche” van mej. Dina Appeldoorn die na verdere studie zich waarschijnlijk wel de techniek van het schrijven van een goed lied zal eigen maken, kan ik toch onmogelijk getuigen dat de […liederen …] de voortbrengselen zijn van een gerijpt talent. Wil men propaganda maken voor het Nederlandsche lied, dan geve men van het allerbeste, wat Nederlandsche componisten op dit gebied hebben tot stand gebracht en geen beginnerswerk […] Heel ander werk bracht ons mevr. Frensel Wegener-Koopman. Haar liederen […] bewijzen dat de componiste iets te zeggen heeft en dat zij de middelen heeft om dat in haar muziek tot uitdrukking te brengen. Er is in deze liederen een warmte, die weldadig aandoet. Het laatste kon ik tot mijn spijt niet getuigen van de liederen van dr. Molenbroek die meer appelleeren aan het verstand dan aan het gevoel.” [5]



[1] Nederlands Muziek Instituut, archief Dina Appeldoorn, doos 2751 zit vol met plakboeken met concertprogramma’s en recensies

[2] www.dutchdivas.net, korte biografie Julie de Stuers

[3] Het Vaderland, vrijdag 19 maart 1909

[4] De Avondpost, zaterdag 20 maart 1909

[5] Land en Volk, zaterdag 20 maart 1909

 

 

 

 

 

 

 

Jeanne van der Haar-Böttger

1882 - 1954
Zij studeerde aan het conservatorium van Amsterdam piano, viool en compositie.
Na haar studie vervolgde ze met 6 jaar compositie onder Bernard Zweers, en weer later studeerde ze nog contrapunt en instrumentatie bij F.E.A. Koeberg in Den Haag. Ze trouwde met de dichter J.G. van der Haar maar hij overleed slechts zeven jaar later. Ze heeft verschillende liederen geschreven op zijn gedichten. De enige andere componiste die Van der Haars gedichten toonzette is, voorzover ik weet, Dina Appeldoorn. Ze schreef verscheidene bundeltjes met pianostukjes voor beginnende en halfgevorderde pianisten. Er zijn verschillende van haar liederen gepubliceerd, ze schreef ook enkele gelegenheidsliederen en bood liederen aan aan (leden van) de koninklijke familie.
[1]

 

Portret van Jeanne van der Haar-Böttger, ontvangen van haar neef Frimme Böttger

 

 

Daniël de Lange schreef op 11 januari 1911 enkele lovende opmerkingen in een getuigbriefje, namelijk dat ze als algemeen ontwikkeld musiciënne aanbeveling verdiende. Dit bleek o.a. uit de composities die zij van tijd tot tijd uitgegeven heeft.

Naar aanleiding van een concert waar een lied van haar werd uitgevoerd, Slaapliedje (het zou kunnen dat dit hetzelfde lied is als het hieronder genoemde Slaap Lieveke), zegt een krantenknipsel, zonder naam of datum: “Behalve de liederen van Brahms, Wolf, Appeldoorn, e.a. die zij [Thecla Bruckwilder] voordroeg, noemen wij nog Slaapliedje van mevr. Jeanne v.d. Haar-Böttger, voor de persoonlijkheid die de melodie van dit lied karakteriseert. Gaarne hadden wij meer gehoord van deze zeer begaafde componiste.” Deze positieve opmerking valt op in een nogal negatieve recensie.

Over het lied Slaap, lieveke van Jeanne van der Haar-Böttger schreef Daniel de Lange in de krant: “Een aardig klein lied, dat zonder pretentie op eenvoudige wijze het eenvoudige versje van J.G. van der Haar omlijst. Wanneer mevrouw Zweers-de Louw dit lied – ’t welk aan haar is opgedragen – zingt, zal zeker de brede schaar harer bewonderaars en bewonderaarsters met het grootste genoegen ernaar luisteren.”

 

In 1932 verscheen een recensie in de krant naar aanleiding van de Verklankte gedichten van Jeanne van der Haar-Böttger, voor declamatie, viool, cello en klavier, die uitgegeven waren door G. Alsbach en Co. Amsterdam. Het gaat hier niet om liederen maar om declamatoria. Ik haal de recensie toch aan omdat ze de gedichten van Jan van der Haar, haar echtgenoot, ook gebruikte in haar liederen: “Weer eens een paar proeven van declamatorium. De componiste laat het soloinstrument, cello of viool als ’t ware het lied zingen, waarvan de declamator de tekst zegt: deze beide elementen zijn rhytmisch vast verbonden, zij vullen elkaar aan. Wat de muziek betreft, hoewel zij geen verrassende dingen openbaart, laat zij toch blijken dat bij mevr. V.d. Haar-Böttger compositietalent aanwezig is.
Ondertusschen zijn deze Verklankte Gedichten artistiek een absolute mislukking, om het feit zelf dat geen kunstzinnig declamator het in zijn hoofd zal halen deze prulleverzen voor het publiek te debiteeren. Het zou onbegonnen werk zijn op al de nonsens en onbeholpenheden in deze verzen te wijzen. De lezer oordeele zelf naar de volgende kwatrijnen:

Ik ging in sterrennacht mijn zang ten droeve heen!

Gedragen door een lieflijk windbewegen.

‘k Zing ze naar omhoog – ‘k zing ze en beween

Het liefste uit het hart mij gestegen.

En als mij zangen zijn omhoog dan, hemelhoog!

Dan blijf ik nog een wijle stille wachten.

En als met zacht geruisch een hemelbode vloog,

Dan zou die mij het groote leed verzachten

En zeggen dat dit alles ernstig bedoeld is!”

 

Er was een uitvoering op 7 juli 1909 in Huize Bellevue in Haarlem waar liederen van Jeanne van der Haar-Böttger werden uitgevoerd. De heer F. Philippeau zong twee liederen op teksten van haar echtgenoot: Draag mij omhooge en Rozen des harten. Op het programma stonden ook 4 liederen van Verhulst, Lentegroet en Koningsliedje van Catharina van Rennes en na de pauze zong hij werken van Puccini, Bizet en Delibes.

Jeanne van der Haar-Böttger heeft een schriftje met ingeplakte krantenknipsels in haar archief, maar  ze heeft vrijwel nergens een datum vermeld of erbij geschreven uit welke krant de knipsels waren genomen. Ik haal ze toch aan: uit een van de knipsels bleek dat 2 liederen van Jeanne van der Haar-Böttger op gedichten van haar inmiddels overleden echtgenoot werden gezongen, hoogstwaarschijnlijk in Den Haag, het lied Klage nicht o Herz en ook hier Draag mij omhooge. Volgens de recensie zouden beide liederen - en vooral het eerste – een “plaats verdienen op de programma’s van vermaarde liederen-vertolksters.”

Het knipsel dat ernaast geplakt was, vermeldt een concert waarbij Dina Appeldoorn als pianiste en begeleidster optrad, er werden liederen en aria’s uitgevoerd van in totaal 13 componisten, waaronder Jeanne van der Haar-Böttger en Dina Appeldoorn zelf. Er staat niet bij welke liederen. Beide knipsels zullen dus in ieder geval van vòòr 1938 dateren.[2]

Er bevinden zich in haar archief ook de brieven van J. de Pauw uit Bussum, haar vroegere docent piano aan het conservatorium. Het was naar hem dat ze haar nieuwe composities bleef opsturen, ook nadat ze allang was afgestudeerd, want ze studeerde aan het conservatorium rond de eeuwwisseling (wat blijkt uit programma’s van voorspeelavonden), terwijl deze correspondentie doorliep tot 1924. J. de Pauw schreef in het Frans.

In een briefje, zonder datum, schreef hij: “Merci beaucoup de m’avoir dedié la mélodie Ohne Liebe qui reste ma préferée. Je vous retourne les deux autre mélodies, qui sont bien aussi, mais qui ont une certaine monotonie, provenant aussi d’un petit abus de syllabes trainées [hij geeft hier enkele notenvoorbeelden uit haar liederen, waar een lettergreep werd uitgesponnen over 3 of meer noten] celá amollit trop la phrase mélodique.“

Hij heeft met potlood enige correcties en suggesties in haar liederen aangebracht. Hij stelt dan voor dat ze af en toe een wat vrolijker gedicht kiest, bijvoorbeeld van het genre Heidenröslein. Hij zegt dat hij zich nog altijd een beetje haar leraar voelt, altijd het beste voorheeft met zijn leerlingen, en vindt dat ze behoorlijke vorderingen heeft gemaakt en ze moet de groeten doen aan haar man. Deze brieven zijn een mengeling van gewoon vriendschappelijk contact en wat muzikaal advies betreffende haar composities. Frappant is dat ze hiervoor bij haar pianodocent en niet bij haar vroegere compositieleraar Bernard Zweers of bij Julius Röntgen te rade gaat.



[1] Biografische gegevens gebaseerd op correspondentie en krantenknipsels in haar archief, Nederlands Muziek Instituut, doos 2506.

[2] In 1938 overleed Dina Appeldoorn.

Laatste wijziging op: 05-06-2011 17:36